40 x 120 x 120 cm

aluminiumcement
hout
messing

 

beelden

exposities

informatie

publicaties

beelden

linksrechts

Ad Himmelreich

Het werk, dat Maria Schilder voor deze tentoonstelling heeft gemaakt, belichaamt een mengeling van grillige fantasie en geometrische berekening. Aan de bovenkant van het vierkante blok hout vallen twee zacht glooiingen op, die elke een ronde nerfstructuur vertonen. Deze verheffingen zijn door een diagonaal lopende 'vallei' met elkaar verbonden. Het massieve blok wordt aan de uiteinden gedragen door vier spiraalvormige voeten van aluminiumcement. Blok en voeten zijn verbonden met driehoekige elementen van messing. Het object oogt vertrouwd en bizar tegelijkertijd. De warme materiaalcombinatie en de universele vormen werken aanlokkelijk. Op hetzelfde moment dwingt de ongenaakbaarheid van dit onbekende viervoetige wezen ons op gepaste afstand. Het is alsof wij hier onder het gesluierde Westeuropese licht, een stap zetten in de fantasie van een oud volk. In vroeg-middeleeuwse miniaturen zien we soms, hoe uit een schelp een gruwelijk monster kruipt. Zulke bizarre logica heeft overigens ook de geliefde zeemeermin opgeleverd. Het zachte 'landschap', dat in het houten blok is uitgesneden, zou dan uit de orde van de vier 'schelpen' zijn gevloeid. Toch kan hier ook het omgekeerde het geval zijn: de spiralen, die in ronde schijven of wielen gevat zijn, zijn dan niet meer dan de dragers van een lichaam, dat door zijn houtstructuur waarachtig levend lijkt. Met de geometrische ordening van de beeldelementen worden beelden als het ware 'geromantiseerd'. Terwijl de huid zachte lichtnuances opvangt, verlangt het werk in zijn structuur naar een crontasterend Zuiden. Deze twee elementen zijn formeel elkaars tegengestelden, maar in onze fantasie vullen ze elkaar naadloos aan. Het 'zijn' gaat gepaard met angsten en verlangens, hetgeen ons in een wankel evenwicht houdt. Orde en chaos beïnvloeden elkaar over en weer. Deze sculptuur is daarvan geen bevallige demonstratie, maar is veeleer een aardse ontmoeting met ons eigen wezen. Het is in deze ontmoeting, zo dicht tegen de aarde, dat ook de warme en koude, vrouwelijke en mannelijke elementen aan elkaar paren. En dit, met een zelfde ingetogen erotische constante als die, welke we in Japanse kunst herkennen. De beeldtaal van Maria Schilder onthult het streven naar een paradoxale vrede, naar een esthetisering van natuurlijke tegenstellingen. Dit is niet zozeer naïef, maar eerder humoristisch, omdat het een existentieel onvermogen blootlegt. Of, om Boris Pasternak te citeren: 'De mens is stom, het is het beeld dat spreekt'. Want het is duidelijk, dat alleen het beeld zich onder de wet van de natuur kan handhaven.

catalogus Bladgoud